Persoonlijke & relationele groei

De Wondere Wegen van Gilgamesj

Hoe een mannenworkshop inplugt op het wereldleed

Op de heenreis moet ik even voorbij Neufchâteau plassen en we stoppen bij een soldatenkerkhof uit de eerste wereldoorlog. Zo'n 600 Franse en Duitse soldaten liggen er samen begraven. De Duitsers onder een dikke granieten steen, de Fransen onder een crème-kleurig kruis dat er van een afstand als plastic uitziet. Maar elke Fransman heeft zijn eigen kruis, terwijl de Duitsers met z'n tweeën, en hier en daar zelfs met z'n drieën of vieren onder een steen liggen. Dat dan weer wel.

Ton en ik zitten een tijdje tussen de kruizen en beseffen dat ook in de komende driedaagse mannenworkshop de dood weer aanwezig zal zijn. Het is nu het tiende jaar dat we in het Oost West Centrum vlakbij het Zuidbelgische Orval deze driedaagse 'Het Pad van de Man' begeleiden. Twee keer per jaar werken we met een groep van 20 à 30 Nederlandse en Belgische mannen drie dagen lang aan de hand van een mythologisch verhaal. Deze keer hebben we een van de alleroudste mythologische verhalen gekozen: het Sumerische Gilgamesj-epos, dat 4.000 jaar geleden voor het eerst werd opgeschreven, en waarschijnlijk al veel langer werd verteld. Elke keer weer staan we verbluft hoe de mythologische laag, de persoonlijke verhalen en het groepsproces op elkaar in werken. Maar iedere keer ben ik ook weer zenuwachtig: gaat het deze keer wel werken? Terwijl ik aan de andere kant van de weg mijn blaas leeg kijk ik naar de nog kale berkebomen en denk drie dagen verder: dan komen we hier weer langs, zijn misschien de eerste blaadjes opengegaan en is het allemaal weer achter de rug. De angst die ik voel is vooral de angst voor het onbekende. En voor de dood. En voor fouten maken. En voor andere mannen. En voor dat wat ik in mezelf liever niet zie.

Als we met onze vijf assistenten in de zaal zitten waar we 's avonds met de groep aan de slag zullen gaan, vraagt Hein of ik er zin in heb. 'Nee', zeg ik. Ik heb er helemaal geen zin in, voel me bang vanwege allerlei bekende redenen, maar er is ook een onbestemd gevoel van vrees dat ik niet kan plaatsen. Alsof ons iets boven het hoofd hangt. We hebben het er met z'n zevenen over en dat ontspant een beetje.

Ton heeft last van zijn knie, hij zal zichzelf moeten ontzien en dat betekent dat ik wat meer de leiding zal nemen. We werken al vele jaren goed samen, maar altijd is hij toch de nummer één en ik de nummer twee, sinds ik 20 jaar geleden door hem met het 'mannenwerk' kennismaakte. Wat is 'mannenwerk'? Niets anders dan: bewust met je mannelijke identiteit omgaan, en daar de blinde vlekken en schaduwkanten van onder ogen zien. In die workshop twintig jaar geleden deden we een oefening rond de verhouding die je met je vader hebt: de 'vader-zoon-cirkel'. Voor het eerst in hele lange tijd kon ik toen voelen hoezeer ik mijn vader in mijn jeugd gemist had. De emotionele steun die ik in die workshop van andere mannen ontving maakte dat ik de vijftien jaar die mijn vader daarna nog leefde een veel betere band met hem had. Dat ik nu wat meer de leiding zal moeten nemen maakt me extra gespannen maar ik verwelkom het ook: het is tijd.

Als we 's avonds buiten staan in een kring, staat de planet Venus te fonkelen aan de hemel. Nog niet eerder was ik me zo van haar aanwezigheid bewust. Ik verwelkom de 23 deelnemers – de 24e maakte rechtsomkeert toen hij een telefoontje kreeg dat zijn vader was overleden – en vertel over hoe we de komende dagen in deze cirkel van mannen elkaar en onszelf tegen zullen komen. Dan blijkt dat ik niet goed geteld had: nummer 23 komt boos aangelopen. Eerste foutje. Ik praat verder over hoe we allemaal met onze vragen en problemen zitten, of die nou met werk, relatie, familie of gezondheid te maken hebben, en hoe we vaak het gevoel kunnen hebben daar alleen in te staan en om daar maar een beetje in het duister in rond te tasten. Zo duister is het landschap inmiddels ook, ook al staat Venus aan de hemel, en ik vraag de groep de heuvel op te gaan, in het duister in, en te kijken of ze ergens een licht zien en dat te volgen. Ik loop zelf mee, en voel hoe duister mijn levenspad op het ogenblik is. Gelukkig brandt er aan de andere kant een vuur. Samen kijken we een tijdje zwijgend in de vlammen. En nemen dan het vuur mee, de workshop in.

De volgende dag doe ik voor het eerst in twintig jaar opnieuw mee aan de vader-zoon-cirkel. Met adem, meditatie en muziek begeleidt Ton ons naar de pijn van vroeger. Ik merk dat de pijn van mijn eigen in de steek gelaten jongetje er nog wel is, maar heel mild, als iets dat nu eenmaal bij het leven hoort en waar ik ook beschikbaar voor was. Wat ik nu veel sterker voel is de pijn, het verdriet en de eenzaamheid van mijn vader. En even later van zijn vader, mijn grootvader op wiens verjaardag ik geboren werd. Vervolgens komen er andere mannen uit mijn familielijn bij: mijn ooms, de andere grootvader, en ook de schoonvader die ik nooit ontmoet heb. Heel dat verleden van mannen die zich afgesneden voelen van het leven gaat door me heen, en raakt aan mijn eigen isolement, dat inmiddels niet meer de 'schuld' is van mijn ouders maar bestanddeel van de condition humaine, existentieel gegeven. Ik voel de pijn daarvan die me doet huilen en daar ben ik blij om. Getroost door een andere man tegen wie ik achterover kan leunen, laat ik weer wat van mijn bagage los.

's Middags gaan we geleidelijk aan richting verhaal. In tweetallen gaan de deelnemers eerst op zoek naar wat nou precies het leerdoel is waarmee ze het spel in willen. Als ze dat een beetje helder hebben, vragen we ze te kiezen bij welk chakra ze zich daarmee het meest thuis voelen. Niet met hun hoofd, maar met hun lichaam: met strepen op de vloer is de zaal verdeeld in zeven chakra's, en als ze voelen dat ze op hun plek zijn gaan ze zitten. Vooral de onderste chakra's zijn gevuld, in zowel het vijfde als het zesde zit één man en het zevende chakra is leeg. In de subgroepen die zo gevormd zijn zoomen we nog wat verder in op het speldoel.

Wat het meest ongemakkelijke moment voor de deelnemers moet zijn, is het dat nu ook weer: je hebt een speldoel, je hebt een rol waarvoor je je in wat quasi-Sumerische kleden hebt gehuld, er is een collectieve spelopdracht en nu begint het. In de zaal is met kussens en matrassen de plattegrond van het Midden-Oosten aangegeven en daar sta je dan. Wat nu? Ja, wat nu, dat is de vraag die we in het gewone leven ook vaak tegenkomen. Zoals Erik, geslaagd ondernemer die de laatste tijd merkt dat hij zijn passie kwijt is. 'Waar gaat het in het leven nou echt om?' (Meer speldoelen, zie beginrondje.)

Geschrokken stilte. Jezus, wat nu? Maar die speelt niet mee. Je zou verwachten dat Gilgamesj de leiding neemt, maar de drie Gilgamesjen zijn met stomheid geslagen. Tot Ab de beuk er in gooit: hij wil authentiek schitteren zonder altijd maar met iedereen rekening te houden en hij doet zijn best. Gooiend met kussens en rennend door de zaal probeert hij zijn onderdanen tot actie te bewegen. Joppe, een nog jonge Gilgamesj doet onhandig met hem mee. Roy, de derde Gilgamesj heeft het aan zijn rug dus houdt zich gedeisd. Het wordt een chaos. Iedereen roept en beweegt door elkaar, hier en daar ontstaat een verhaallijntje maar het leidt tot niets. Ik denk aan die keer dat we met het eigentijds-mythologische verhaal 'De overname van ABN-AMRO door Fortis' werkten en we alle spelers een colbert en een stropdas uitreikten. Waarna er een jolige receptiesfeer ontstond die tot laat in de avond doorging. Zo niet nu. Na een uur hebben de eersten er eigenlijk wel genoeg van. Buiten op het terras vormt zich een groepje waar frustraties uitgewisseld worden. 'Zo heb ik er geen zin meer in'. 'Waar zijn we eigenlijk mee bezig?' 'Wat een chaos!'

En het wonderlijke gebeurt. Het individu achter de rol komt tevoorschijn en dat verbroedert. Ik moet even mijn schoenen halen maar als ik terugkom is de groep gegroeid, een eindje de heuvel opgeschoven en ontspint zich een gesprek over ziel, zelf, onsterfelijkheid en andere thema's uit het verhaal. Dat van Gilgamesj en dat van ieder persoonlijk. Ik sta er bij en hoor vele mooie dingen. Sommige mannen die ik nog weinig heb horen zeggen komen ineens enorm uit de verf. Als de groep zich naar binnen verplaatst ga ik er bij zitten en geniet. Mannen die recht uit het hart zeggen wat ze voelen en denken, zonder dat er iets moet worden opgeklopt of mooier gemaakt. Precies zoals het is. Iedereen die erbij is ervaart dat als heilzaam, warm, verwelkomend, een vorm van authentiek broederschap. Ik herken het: het is alsof er een geest in de ruimte aanwezig is die iedereeen aanraakt met een toverstafje van oprechtheid en diepte. Wat gezegd wordt 'klopt', en het komt aan, het wordt gehoord. Regelmatig vallen er stiltes waarin je voelt dat de zojuist gesproken woorden innerlijk naklinken. Als iemand wat gaat zeggen weet je bijna al wat dat gaat zijn. We worden transparant voor elkaar, alsof we ons gedragen weten in een veld dat ieder van ons aanmoedigt onze maskers te laten vallen en helemaal te zijn wie we zijn. In de veilige wetenschap dat dat hier, op dit moment ook kan.

Niets kan alsmaar duren, ook hier niet. Na zo'n anderhalf uur merk ik aan het geschuif van een paar mannen dat de intensiteit van het contact begint af te nemen. En inderdaad zegt een man een paar minuten later dat hij moe begint te worden en dat hij wel naar bed wil. Anderen vallen hem bij. De behoefte wordt uitgesproken de avond op een mooie manier af te ronden, en op dat moment verzandt het gesprek in gezoek naar een vorm. Het leidt tot niets, en langzaamaan verlaat de een na de ander de zaal. Het is bijna middernacht en we zijn moe. Ik ook.

De volgende morgen gaat de groep verder met het spel waarin het verhaal van Gilgamesj leidraad is. Opnieuw is er die ochtend een prachtige vorm van open contact tussen deze mannen die elkaar gisteren pas voor het eerst zagen. Maar er is iets dat me nu begint op te vallen en me ook lichtelijk begint te irriteren: waar is Gilgamesj? Hier en daar zijn er nog wel mannen met hun rol bezig, maar het verhaal is behoorlijk naar de achtergrond verdwenen. 'Minpuntje!', noteer ik in mijn aantekeningen.

Het verhaal van Gilgamesj is eigenlijk een verhaal van opstijgen en weer vallen: omhoog naar de hemel, en dan weer naar beneden naar de aarde met als uiteindelijke doel om in het midden uit te komen. In het begin van het verhaal zit Gilgamesj (tweederde god, eenderde mens) in dat midden, maar niet echt. Hij is koning van Uruk, een stad in het huidige Irak, maar hij is geen goede koning; hij is een tiran. Het volk dat hij onderdrukt komt in verzet en smeekt de goden om hulp. En wat doen de goden: die scheppen Enkidu, de Wildeman. Die moet de problemen oplossen. Maar Enkidu is één met de dieren, hij spreekt hun taal en leeft met hen. Probleem: hij verstoort de jacht door overal strikken uit te grond te trekken en de dieren te waarschuwen voor de jagers. Dat komt Gilgamesj ter ore en hij stuurt een tempelprostituee op Enkidu af. Zij heet Shamhat en als zij haar borsten ontbloot is Enkidu verloren. De twee bedrijven de liefde, zes dagen en zeven nachten lang. De dieren moeten daarna niks meer van Enkidu hebben, en dus gaat hij met Shamhat mee naar Uruk, waar hij door haar wordt ingewijd in de beschaving. Als Enkidu in de straten van Uruk Gilgamesj tegenkomt, daagt hij hem uit voor een gevecht. De twee worstelen, over wie er wint lopen de verhalen uiteen, maar één ding staat vast: ze worden dikke vrienden.

Koning Gilgamesj is door zijn vriendschap met Enkidu genezen, en in de workshop koppelen we dit eerste stuk van het verhaal aan de onderste vier chakra's. Gilgamesj begint in het vierde chakra, het hartchakra dat in Ton's boek 'De Terugkeer van de Koning' als het chakra van het koningsarchetype wordt gezien. Maar Gilgamesj is een slechte koning, en heeft hulp van beneden nodig: Wildeman Enkidu begint in het eerste chakra, waar we onze verbondenheid met de aarde en de natuur wortelt. Door Shamhat gaat hij naar het tweede chakra: het energiecentrum van sexualiteit, relaties, eros. Hier zetelt het archetype van de minnaar. Als Enkidu Gilgamesj uitdaagt komen ze samen in het derde chakra: het chakra van de krijger. En dan kunnen ze samen opstijgen naar het vierde chakra: het hart, de liefde, de Ware Koning.

Als het een sprookje was zou het verhaal hier kunnen eindigen met 'en ze leefden nog lang en gelukkig'. Maar het verhaal is nog niet uit. Enkidu wordt ziek en na twaalf dagen gaat hij dood.

Gilgamesj is ontroostbaar, niet alleen omdat hij zijn best vriend is verloren, maar ook omdat hij opeens beseft dat hij op een dag ook dood zal gaan. Hij besluit op zoek te gaan naar de onsterfelijkheid, en daarvoor moet hij in het chakramodel naar boven, om uiteindelijk uit te komen bij de enige twee mensen die onsterfelijkheid hebben gekregen: Utnapishtim en zijn vrouw. Zij hebben namelijk de zondvloed overleefd door een ark te bouwen en daarin alle dieren etcetera.... wij kennen Utnapishtim als Noach. Na een lange reis vol avonturen en figuren die hem proberen te overtuigen zijn zoektocht maar op te geven, komt Gilgamesj bij veerman Urshanabi, die hem helpt de 'wateren des doods' over te steken, zodat hij bij Utnapishtim arriveert.

Utnapishtim legt Gilgamesj uit dat de dood noodzakelijk is: alle menselijke inspanning is van tijdelijke aard en niet eeuwigdurend. De dood is, net als de slaap, noodzakelijk voor de mensheid.

Maar Gilgamesj houdt aan, en Utnapishtim wil hem na lang aandringen wel de onsterfelijkheid verlenen als hij er in slaagt zes dagen en zeven nachten lang wakker te blijven. Maar helaas, onze held valt al snel in slaap. Dankzij de vrouw van Utnapishtim krijgt Gilgamesj nog een tweede kans: op de bodem van de oceaan groeit het kruid van de eeuwige jeugd. Gilgamesj bindt twee zware stenen aan beide benen, zakt naar de bodem en plukt daar het kruid. Hij neemt het mee naar huis, maar onderweg valt hij in slaap bij een meertje, een slang glipt uit het water en slokt het kruid op. Voortaan verliest de slang zijn huid en blijft eeuwig jong. Gilgamesj gaat naar huis, en het verhaal eindigt ermee dat hij uiteindelijk zijn sterfelijkheid aanvaardt.

In het tweede deel van het verhaal gaat Gilgamesj dus naar boven, om in het zevende chakra dat de poort tot de kosmos is, de onsterfelijkheid te ontmoeten. Hij komt er wel, maar kan zijn bewustzijn niet wakker houden: hij valt in slaap. En hij moet weer helemaal naar beneden: naar de bodem van de odeaan. Maar wat hij daar vindt ontglipt hem omdat hij opnieuw in slaap valt. Het laatste stuk van de reis is het moeilijkste want daar beleeft de held de ultieme mislukking: dat wat hij na zoveel moeite gevonden heeft, raakt hij weer kwijt. Het enige wat hij overhoudt als hij weer thuiskomt is wat hij op zijn reizen ervaren heeft. En dat maakt hem mogelijk iets te doen wat hij bij het begin van het verhaal nog niet kon. Hij aanvaardt zijn eigen sterfelijkheid. Alles wat hij heeft ondernomen is uiteindelijk mislukt. Hij aanvaardt dat het is zoals het is.

Naar mijn idee zitten we in deze tijd met z'n allen in het laatste stuk van het Gilgamesj-epos. De heldendaden, de grootse verrichtingen en de opzienbarende ontdekkingen zijn voorbij. We zien onze mislukkingen onder ogen. Dat geldt voor mij persoonlijk: mijn laatste boek is niet het doorslaande succes geworden waar ik op gehoopt had, mijn politieke avontuur met de Partij voor Mens en Spirit leidde vorig jaar tot niets, financieel zit ik aan de grond en ik zie niet hoe het verder moet. Ideeën genoeg maar inkomsten ho maar. Net zo worden we collectief met onze mislukkingen geconfronteerd. Financieel-economisch maar ook qua milieu, klimaat, grondstoffenverbruik en bevolkingsdruk stormen we op de afgrond af. We slagen er collectief niet in verschrikkingen als in Syrië en op al die andere plekken waar het kwaad de ruimte krijgt tot een einde te brengen. Het hele systeem is aan het kraken en piepen, maar het nieuwe is dat we het weten. De wereld is een puinhoop en we kunnen er niks aan doen. Dat voelt als doodgaan en dat is wat wij net als Gilgamesj nu recht in de ogen beginnen te kijken.

"De pijn voelen en er gewoon bij blijven", zegt Ab de volgende morgen als de mannen opnieuw in een cirkel bij elkaar komen en elkaar vertellen wat ze op hun hart hebben. Opnieuw is het prachtig wat hier gebeurt. Sven begint met een verhaal over de levensboom die bij de Keltische druïden zo'n grote rol speelt: de onderste drie chakra's zijn de wortels, het hartchakra is de stam die voor de verbinding zorgt en de kroon van de boom wordt gevormd door de bovenste drie chakra's. In die kruin is Sven goed, maar hij verlangt er zo enorm naar meer in zijn hart te komen. In deze mannengroep begint hij daar iets van te merken. Andere mannen haken in op de helderheid die hij zo schept en voegen er hun eigen ervaringen en inzichten aan toe. Prachtig om getuige van te zijn, alleen merk ik dat ik geïrriteerd begin te raken doordat er steeds een aantal mannen niet in de groep aanwezig is en dat de meerderheid dat wel best lijkt te vinden. Waar is de groep? Of beter gezegd: waar is het groepsbewustzijn? We hadden gisteren toch uitgelegd dat we op drie niveau's werken: het persoonlijke niveau, de groep en het niveau van het collectief, het geheel waar het verhaal van Gilgamesj ons mee verbindt. Ik noteer een tweede minpuntje voor de evaluatie van vanavond. Maar verder is het een plezier om naar de mannen te kijken en te luisteren. Opnieuw wordt ik geraakt door de kracht van de echte ontmoeting. Als wij mannen het aandurven om ons te openen voor elkaar, merken we dat niet de rivalen en vijanden zijn waar we ons leven lang al bang en op onze hoede voor zijn, maar dat we broeders zijn die van elkaar steun en bemoediging kunnen ontvangen. Dat is voor mij altijd weer de essentie van 'mannenwerk'.

's Middags gaat de groep naar de abdij van Orval, een half uur lopen door het bos. Ik had begrepen dat ze in tweetallen elkaar tijdens de wandeling zouden helpen met hun speldoel, maar daar zie ik weinig van. Als we het bos uitkomen gaat veerman Christof op zoek naar een riviertje om de groep te helpen het water over te steken. Maar de groep valt uit elkaar, slechts de helft wordt door Christof naar de overkant geholpen. De rest neemt gewoon de weg. Kaj doet een wonderlijke ontdekking: hij vindt in het water van de beek de blauwe stenen die hij vroeger met zijn moeder op vakantie in de Ardennen zocht. Hij gilt het uit van enthousiasme en zeult de rest van de dag met een zak stenen die hij op het graf van zijn moeder leggen wil.
Bij de abdij aangekomen blijkt dat de groep het plan heeft de abt uit te nodigen om 's avonds bij ons te komen eten. Ik schrik ervan: is dit met het centrum overlegd? Nee. Ik zie een pijnlijke scene voor me waarbij lichtelijk euforische workshopdeelnemers onzacht in aanraking komen met de nuchtere wereld. Ik vertel iets over verschillende bewustzijnsniveaus en hoe die niet op elkaar aansluiten en demp daarmee effectief het enthousiasme van de groep. Later heb ik er spijt van dat ik niet gewoon mijn mond heb gehouden, wie weet hoe het was gegaan? Als toeristen bezoekt de groep vervolgens de abdij, maar de lol is er vanaf.

's Avonds bij het eten melden we dat de groep nog tot negen uur 's avonds heeft: dan zijn de 24 uur van het spel afgelopen. We hopen dat er nog een verrassing komt. Die komt er, maar anders dan we verwachten. 'Verwacht het onverwachte' is niet voor niets een van de regels van het spel. De groep maakt een vuur, waar ieder een aantal in het bos gevonden stokken in zal geven. Ik sta er naar te kijken en vind het een beetje slappe hap. Niet iedereen is er, de sfeer is jolig wat ik helemaal niet vind passen bij zo'n 'plechtig' moment en het lijkt erop dat de mannen maar een beetje iets staan te doen zonder dat ze weten wat. Als ze een tijdje stil rond het vuur staan merk ik wel dat mijn kritische blik wat milder wordt en ook in het afsluitende rondje worden mooie dingen gezegd, maar toch: Ton en ik vinden het allebei niet voldoende. En dat peperen we ze tijdens de feedbackronde in de zaal dan ook in: individueel zijn er hele mooie dingen gebeurd – niets dan lof voor de openheid en inzet. Maar qua groepsbewustzijn en het werk met 'het veld' van het collectieve bewustzijn (het Gilgamesj-verhaal) vinden we het onvoldoende. Nadat we er met z'n allen een tijdje over gepraat hebben gaan we maar aan het bier. Van verschillende deelnemers horen we dat ze 'ons wel erg negatief vonden'. Klopt.

Ton en ik hebben er het op onze slaapkamer nog tot diep in de nacht over, kijken ook wel naar ons eigen aandeel maar zijn toch eenstemmig in ons oordeel: het was flut.

"Meestal zijn de dingen de volgende dag weer een stuk helderder", begin ik de volgende morgen als we weer met de groep in de zaal bij elkaar zijn. Ik ben die nacht tot nieuwe inzichten gekomen en vertel over de mislukkingen in mijn eigen leven. Vaak ingegeven door een groot verlangen naar werkelijke verbinding, naar tastbare manifestaties van het groepsbewustzijn, en vaak daarin pijnlijk teleurgesteld. Ik besef dat ik dit allemaal in de vorm van verwachtingen op de groep had geplakt, en dat dat niet terecht is. "Natuurlijk komen jullie hier voor jezelf, en niet voor het groepsbewustzijn." Het doet me goed om dit zo te kunnen vertellen, en het opent de ruimte voor alle mannen in de zaal om het hunne er aan toe te voegen. Het is opnieuw ontroerend om te voelen hoe authentiek een ieder zich laat zien en horen. Als alle mannen ter wereld zo met elkaar omgingen, waren alle problemen in één klap opgelost. Nou vooruit, bijna alle problemen dan.

Als iedereen zijn zegje gedaan heeft, dansen we door de zaal op de opzwepende muziek van het nummer 'Rood' van Marco Borsato. We zijn in extase. Na het zwart (de reis naar beneden, de pijn in) en het wit (de reis naar de onsterfelijkheid) hebben het rood van het hart bereikt. We zijn wild van enthousiasme. Sommige mannen liggen op de grond of huilen van geluk. We zijn er; niet onsterfelijk, maar wel gelukkig.

Na de lunch hebben we het laatste onderdeel, waarvoor ik een paar weken geleden in een meditatie het beeld kreeg. Twee kristallen die ik al lange tijd heb, en waarvan er een staat voor vrouwelijke (een celestine) en de ander voor mannelijke energie (een bergkristal), zouden we in de kom in de aarde, vlakbij de vuurplaats begraven. Om zo het evenwicht tussen het mannelijke en vrouwelijke in onszelf in de aarde te verankeren.

Een aantal deelnemers graven het gat. Met de bergkristal in de hand spreekt iedere man de intentie uit die hij uit deze workshop meeneemt. Dan gaan beide kristallen de aarde in. Ik sluit af met een meditatie, gebaseerd op een beeld dat ik jaren geleden, bij mijn begin met het mannenwerk zag:

Ik sta in een cirkel van mannen. We staan hand in hand, het is donker, we staan op een open plek ergens in een bos. Midden in de cirkel die we vormen bevindt zich een gat in de aarde. Het is stil, en heel zachtjes hoor ik het geluid van een langzame ademhaling. Het geluid komt uit het gat in de grond. Mijn ademhaling neemt hetzelfde ritme aan en dan zie ik – eerst vaag maar dan steeds duidelijker – dat er allerlei voorwerpen uit het gat naar boven zweven en er ook weer in verdwijnen. Een schuiftrompet, een muzieknoot, een stok, een hondje, een schaal, een stoel. Ik kijk er naar, luister en bedenk: dit is de aarde die ademt. Ik kijk om me heen naar de nadere mannen en zie dat hun benen als bomen zijn, schors als huid, wortels in plaats van voeten, in de grond verankerd. Vanaf het middel hebben we een gewoon mensenlichaam, alleen dansen over al die lichamen vlammetjes heen en weer. We staan in brand! Het woord dat in me opkomt: PASSIE

We nemen afscheid van elkaar. Terwijl ik de boomlange Robbert sta te huggen zie ik hoe Floris schokkerig ter aarde stort. Hij beweegt wild heen en weer, maakt akelige geluiden. Een epileptische aanval. Fred is er snel bij en weet als ervaren verpleger wat hij moet doen. Terwijl ik er bij zit en naar de stuiptrekkende Floris kijk, denk ik aan Gilgamnesj die zich met stenen aan zijn voeten naar de bodem van de oceaan stortte.

Als Floris weer bij komt, weet hij eerst niet waar hij is en wat er gebeurd is. Hij kijkt angstig uit zijn ogen en wordt door Fred gerustgesteld. Zo'n geheugenverlies lijkt me vreselijk. Maar lijden we er niet allemaal aan?
Het is drie dagen prachtig weer geweest, maar als we in de auto langs de abdij van Orval rijden begint het zachtjes te regen. Voor mij voelt dat als een zegening. Ik dank de spirits voor hun hulp. Als we bij de oorlogsbegraafplaats voor Neufchâteau komen schijnt de zon weer. Ons werk is gedaan en we gaan weer naar huis. Maar het verhaal van Gilgamesj is nog niet uit...

Jan Roelofs

OWC - Persoonlijke & relationele groei